|
 |


|
 |
Grasland
Voor de vervening bestond een groot deel van het Friese veenweidegebied uit grasland. In de Middeleeuwen was het in het Lage Midden van Friesland zo nat, dat deze graslanden alleen als hooiland te gebruiken waren. 's Winters stonden ze onder water. Door het jaarlijks maaien en het ontbreken van bemesting trad een verschraling van de bodem op. Het gevolg waren weinig productieve maar soortenrijke blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden. Later zijn deze gebieden bijna allemaal bedijkt en bemalen. Daarnaast deed de (kunst)mest zijn intrede. Het gevolg was dat deze blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden zeldzaam werden. In De Alde Feanen vinden we nog steeds grote oppervlakten grasland. Van het blauwgrasland resteren nog slechts enkele hectaren. Dit grasland wordt met name door grondwater gevoed. Het blauwgrasland kent een grote rijkdom aan grassen, kruiden en vooral grasachtige planten, zoals zeggen. De naam komt waarschijnlijk van de blauwe zegge. Deze soort kleurt, samen met een aantal andere kenmerkende soorten, de velden in de zomer blauwgrijs. Naast de blauwe zegge zijn de Spaanse ruiter, vlozegge, blonde zegge en pijpestrootje kenmerkende soorten. Maar ook verschillende soorten orchideeën voelen zich in deze zeldzame graslanden thuis. Op de Rûne Sâne en de Twa-Sân Mêden kunt u nog kenmerkende soorten van blauwgraslanden vinden.
 Dotterbloemen |
Dotterbloemhooiland
Een ander zeer waardevol type grasland is het dotterbloemhooiland, vernoemd naar de gewone dotterbloem. Deze natte tot drassige graslanden vinden we vooral in de boezemlanden en zomerpolders. De aanvoer van mineralen gebeurt hier door overstroming in het winterhalfjaar. Deze graslanden worden één keer per jaar (na 1 juli) gehooid en soms nabeweid met vee.
Het is een 'bonte wei' zoals Jac. P. Thijsse die beschreef. Kenmerkende planten zijn gewone dotterbloem, echte koekoeksbloem, waterkruiskruid. Ook kale jonker, grote ratelaar, grote wederik en moerasrolklaver worden vaak aangetroffen. Er komen veel broedvogels voor, waaronder kritische weidevogels zoals kemphaan, kwartelkoning, watersnip, grutto, slobeend en zomertaling.
 Kemphaan |
Slaaplaats voor vogels
In de winter zijn de ondergelopen graslanden zeer in trek als slaapplaats voor duizenden eenden en ganzen. En in het najaar en vroege voorjaar maken duizenden steltlopers, zoals kemphaan, grutto, goudplevier en kievit gebruik van deze graslanden als foerageer- en slaapplaats.
Voorbeelden van deze dotterbloemhooilanden bevinden zich op de Wyldlannen, Laban en de Lange Sâne. Vanaf de boot heeft u in het voorjaar een prachtig uitzicht op de door dotterbloemen geel gekleurde graslanden.
Winterpolders Koekoeksbloem |
Naast bovengenoemde graslandtypen die 's winters grotendeels onder water staan, vinden we in De Alde Feanen ook nog een groot aantal polders die het hele jaar bemalen worden (=winterpolders). De botanische waarden van deze polders zijn over het algemeen niet erg groot. Wel vormen ze vaak belangrijke weidevogelgebieden en zijn het belangrijke fourageerplekken voor ganzen en smienten. Botanisch gezien vormt de laaggelegen polder De Bolderen hier een uitzondering op. Door het voorkomen van kwel, het ontbreken van bemesting en het jaarlijks maaien, heeft zich hier een zeer bijzondere bloemrijke vegetatie ontwikkeld. Soorten als echte koekoeksbloem, kale jonker en rietorchis komen hier veelvuldig voor. Ook is deze polder zeer rijk aan weidevogels.
 Kale jonker |
|
|
 |

LIFE-project in Jan Durkspolder
 Herinrichting Alde Feanen
|
 |