Ontstaan
Open water, uitgestrekte rietvelden, bloemrijk grasland en moerasbossen. Dat is het beeld van Nationaal Park De Alde Feanen zoals het gebied er vandaag de dag bij ligt in de Lege Midden van Fryslân. Het is een laagveengebied dat in de loop der eeuwen voortdurend veranderd is. Nog geen honderd jaar geleden bestond De Alde Feanen uit een kaal en open landschap. Tegenwoordig ziet het er veel begroeider en beschut uit, met moerasbos, rietvelden en een ruige plantengroei.
Laagveen met een lange historie
Het stijgen van het grondwater na de laatste ijstijd, zo'n vijf- tot zesduizend jaar geleden, zorgde ervoor dat De Alde Feanen een laagveengebied is geworden. Bodem en water zijn de bouwstenen van dit landschap. De bovenlaag is gevormd door een samenspel van ontwikkelingen. Klimaat en geologie speelden een rol en ook de waterhuishouding en plantengroei. Met die factoren is in een lang verleden bepaald wat er vandaag de dag in het gebied groeit en bloeit.
 | | Grutte Krite |
Invloed van de mens
Gaandeweg ging de mens zich met de ontwikkeling van De Alde Feanen bemoeien. Om het land te kunnen exploiteren en er te kunnen leven werd het gebied zo goed en zo kwaad als dat ging in cultuur gebracht.
Eerst werden er dijken aangelegd om droge voeten te houden en het water te reguleren. Veen bleek in gedroogde vorm een geschikte brandstof, zodat het werd afgegraven. Aanvankelijk op beperkte schaal (17e eeuw), later (18e eeuw) in meer en grotere gebieden.
Rond 1700 was het grootste deel van het gebied rond Earnewâld nog land. In die tijd begon men daar ook met de vervening. Aanvankelijk ging dat op de Friese manier met omdijkte petten. Later, na 1751, paste men de Giethoornse methode toe. Vanaf toen ontstonden de zogenaamde ribben (stripen), met daartussen grote waterplassen. Men groef het veen weg tot op het zand, wat tot gevolg had dat de bodem laag kwam te liggen. Grote stukken van het gebied raakten overstroomd. De invloeden van water en wind deden zich gelden. Ook de wat hoger gelegen delen werden door het onstuimige water weggeslagen. Dijkjes braken door en petgaten werden grote plassen zoals de Grutte Krite en de Saiterpetten. Door dat samenspel van mens en natuur ontstond een afwisselend terrein van land, water en alles wat daar tussenin zit. De vervening ging door tot in de 19e eeuw.
Vlak na die tijd bleef er een troosteloos cultuurlandschap over. Dat bestond voor een deel uit donkere vaarten en vergraven percelen, vrijwel zonder begroeiing. Al gauw begonnen sommige delen zich spontaan te ontwikkelen. Dit gebeurde met name in het midden van De Alde Feanen. Een petgatenlandschap als nieuw moeras ontstond.
.
 | | Dotterbloemhooiland |
Aan de buitenkant werden delen door de mens omgevormd tot wei- en hooilanden. In een later stadium ging men op grote schaal over tot inpoldering. De laatste grote inpoldering (De Hege Warren,400 hectare) vond plaats in 1939.
Het in cultuur brengen van het gebied ging door. Recreatie claimde ruimte. Met het ingrijpen van de mens is heden ten dage de rol van de natuur niet uitgespeeld. Nadat de vervening had gezorgd voor veel open water in het gebied, kwam langzaam een proces van verlanding op gang. Het is het verhaal van successie. Dat is de natuurlijke ontwikkeling van de vegetatie, die van een open en kaal terrein op den duur leidt tot een gevarieerd en bebost gebied.
Hiermee is De Alde Feanen geschetst: een laagveenmoeras met een verleden en een toekomst
|